Hoofdstuk 3:

Het hield niet op toen ik van school ging

Wat misschien nog het meest beangstigende aan die periode was, is dat het niet ophield toen ik de basisschool verliet.

In de jaren daarna, en zelfs nog tijdens mijn middelbare schooltijd, werd ik nog steeds achternagezeten door precies die oud klasgenoten die op de basisschool door mijn juf steeds als het ware overal mee wegkwamen met hun gedrag. 

Dezelfde jongens die mij uitscholden, kleineerden en lastigvielen, bleken hun gedrag niet achter zich te laten. 

Integendeel.

Op een gegeven moment had ik, nadat ik voor sukkel was uitgescholden, voor één keer besloten om voor mezelf op te komen. 

Niet agressief. 

Niet met scheldwoorden. 

Niet door iemand te bedreigen. 

Ik reageerde kort en met sarcasme.

Maar blijkbaar was zelfs dat voor één van hen onverdraaglijk.

Hij kon het niet hebben dat ik hem één keer van repliek diende. Samen met zijn broer zag ik hem daarna nog eens pissig naar mij kijken. 

Kort daarna bleek dat er iets veel ernstigers was afgesproken: hij had met veel meer jongens van mijn oude school geregeld dat ze mij zouden opwachten en in elkaar zouden slaan zodra ze mij op straat tegenkwamen.

En dat gebeurde daadwerkelijk.

Ik zat in groep 5, bij de Fon­tein, en was onderweg met mijn fiets. Ik reed langs mijn oude school, de Tweemaster Tuselant. Daar werd ik aangesproken door een oud klasgenoot.

Achter hem stonden groepen jongens. Sommigen kende ik niet eens. Ze stonden bij de oude school waar ik zelf inmiddels niet meer zat.

Ze begonnen mij uit te schelden.

“Frank, bolle!”

“Sukkel!”

Mijn oud klasgenoot kwam vervolgens op mij af en deed alsof hij wilde vragen hoe het met mij ging.

En toen gebeurde het volledig onverwacht.

Vanuit het niets begon hij mij met zijn vuist hard en snel op mijn neus te slaan. Zes keer achter elkaar.

Daarna probeerde hij mij mee te sleuren naar een steeg. Dat lukte hem niet.

Vervolgens zei hij dat hij dit moest doen van “hen” en wees naar de groep jongens die daar stond te schelden.

Het was dus niet zomaar een ruzie tussen twee kinderen. Het was afgesproken. Niet alleen met hem, maar met veel meer jongens van die oude school.

Vanaf dat moment voelde de straat niet meer als een plek waar ik gewoon naar buiten kon.

Ze reden voortdurend met hun fietsen door mijn straat. Langs mijn raam. Langs mijn huis. Ze hielden mij in de gaten en wachtten regelmatig af tot ik naar buiten kwam.

Ik ging daardoor steeds minder vaak naar buiten. Binnen was ik vooral bezig met tekenen en verhalen schrijven. 

Dat waren de dingen waarin ik mezelf kon verliezen en waarin ik mijn eigen wereld kon maken.

Ik had een leven. 

Zij niet.

Maar zelfs thuis voelde ik me daardoor niet volledig vrij.

Ik wist dat ik mijn voordeur niet zomaar kon uitstappen zonder het risico te lopen hen tegen te komen.

Op straat kon ik opnieuw worden uitgescholden, achtervolgd of aangevallen.

Op een dag wilde ik even naar de winkel en fietste ik buiten. Zodra één van de velen mij zag, werd ik weer nageroepen:

“Hé, heeft [de jongen die mij toen had geslagen] jou eens geslagen?”

Daarna sprintte hij op zijn hardst op mij af.

Pas toen ik met mijn fiets in de buurt van het openbaar gebied kwam, hield hij op.

Zij waren lang niet altijd alleen. 

Het was alsof ik voortdurend moest inschatten waar ik veilig kon zijn en waar niet. 

En zelfs in een winkel was het niet vanzelf veilig

Een keer kwam ik dezelfde oud klasgenoot tegen die mij eerder zonder enige aanleiding zes keer op mijn neus had geslagen. Ik was samen met mijn moeder in de Bruna. Zelf was ik daar gewoon op zoek naar manga's van Dragon Ball, die toen enorm populair waren.

Hij begon mij opnieuw dreigend lastig te vallen en uit te dagen, terwijl ik hem probeerde te negeren.

Toen kwam mijn moeder aanlopen en hem aansprak. Hij had maling aan mijn moeder en keek haar lachend aan, maar hij ging weg.

Achteraf denk ik weleens aan hoe anders dat had kunnen zijn als ik daar alleen had gelopen. Misschien had ik niet eens zelfstandig en veilig naar huis kunnen terugkeren.

Dat is misschien moeilijk uit te leggen aan iemand die zoiets nooit heeft meegemaakt.

Maar ik voelde mij nergens veilig.

Ik was nergens veilig.

Buiten was ik voortdurend op mijn hoede. Het maakte eigenlijk niet uit waar ik naartoe ging. Mijn straat, de winkel, onderweg op de fiets, in de buurt van mijn oude school: overal kon iemand opduiken.

Een kind zou gewoon naar buiten moeten kunnen gaan zonder zich af te vragen of een groep jongens hem staat op te wachten.

Ik kon dat niet.

En uiteindelijk kwam ik degene tegen bij wie dit alles was begonnen: de jongen tegen wie ik één keer voor mezelf was opgekomen nadat hij mij zomaar voor sukkel had uitgescholden.

Ik keek hem aan.

Hij werd bang.

Hij maakte zich klein en liep met een grote boog om mij heen.

Dezelfde jongen die eerder anderen tegen mij had opgezet, leek nu zelf niets meer te durven zeggen toen hij mij alleen tegenkwam.

Dat contrast is me altijd bijgebleven.

Voor mij beschrijft dat precies iets van de mentaliteit die achter pesten kan zitten: de persoon die zich tegenover een groep groot en onaantastbaar probeert te maken, blijkt één op één soms juist de grootste lafaard.

Hij had mij niet alleen durven tegemoet treden. Een sarcastische opmerking van mij, nadat hij mij zonder aanleiding voor sukkel had uitgescholden, was blijkbaar al genoeg geweest om hem te intimideren. In plaats van mij gewoon zelf onder ogen te komen, werden achter mijn rug om leugens verspreid. 

Er werd beweerd dat ik zijn fiets had gestolen. Vervolgens werd er een soort mob mentaliteit gecreëerd: niet zelf de confrontatie aangaan, maar groepen jongens tegen mij opzetten en anderen het vuile werk laten doen.

En juist dát vind ik zo veelzeggend.

Want wat is daar moedig aan?

Niets.

Dat is geen kracht. Dat is lafheid.

Een jongen die één op één niet tegen je opgewassen is, maar vervolgens een hele groep achter zich verzamelt om jou aan te pakken, probeert zich groter voor te doen dan hij werkelijk is. Achter de bravoure zit dan geen echte moed, maar de behoefte aan een groep om zichzelf sterker te voelen.

Voor mij was hij toen een loser. Niet omdat ik hem vandaag zo wil neerzetten, maar vanwege de manier waarop hij zich toen gedroeg: iemand die mij niet rechtstreeks durfde aan te spreken, maar wel achter mijn rug om leugens kon verspreiden en anderen tegen mij kon mobiliseren.

En ondertussen was ik degene die met de gevolgen moest leven.

Vet­zak. Bolle. Sukkel.

Woorden die bedoeld zijn om iemand kleiner te maken.

Maar achter dat gedrag kan juist enorm veel eigen onzekerheid zitten. Niet noodzakelijk omdat iedere pester bewust denkt: ik ben onzeker, dus ik ga iemand anders vernederen, maar omdat iemand zijn eigen onzekerheden, tekortkomingen of behoefte aan status kan proberen te compenseren door een ander naar beneden te drukken.

Een soort macht ontlenen aan het idee dat iemand anders onder jou staat.

En als één persoon niet genoeg is, komt de groep erbij.

Dan ontstaat die mob mentaliteit: samen ben je stoer, samen durf je dingen die je alleen waarschijnlijk niet zou durven. Samen kun je jezelf wijsmaken dat jij sterk bent, terwijl je in werkelijkheid afhankelijk bent van anderen om je macht tegenover één persoon te laten gelden.

Ik was het rustige kind geweest dat liever tekende, verhalen schreef en zijn eigen wereld opzocht. Ik had niet om die confrontatie gevraagd. Ik had slechts één keer, kort en zonder agressie, gereageerd nadat ik opnieuw voor sukkel was uitgemaakt.

Daarna werd mijn leven buiten school voor een periode beheerst door intimidatie, dreiging, achtervolging en daadwerkelijk geweld.

Ik werd achtervolgd.

Ik werd daadwerkelijk geslagen.

Ik kon mijn eigen straat niet meer verlaten zonder op mijn hoede te zijn.

En toch was ík niet degene die een leger nodig had om zich groot te voelen.

Maar ik ben niet meer datzelfde kind van toen

Het kwetsbare kind dat nauwelijks voor zichzelf durfde op te komen, is inmiddels veranderd. Ik ben assertiever geworden. Ik heb geleerd mijn grenzen beter te bewaken en voor mezelf op te komen wanneer dat nodig is. En misschien nog belangrijker: ik ben op een andere manier naar het leven gaan kijken.

Wat mij vroeger klein maakte, heeft mij uiteindelijk ook geleerd wie ik wil zijn.

Ik hoef mezelf niet te bewijzen door boven een ander te staan. Ik hoef een ander niet kleiner te maken om mezelf groter te voelen. Ik wil begrijpen, groeien en mezelf blijven ontwikkelen.

Hoofdstuk 4:

En toen kwam de middelbare school

Een nieuwe school. Een gigantisch gebouw. Nieuwe gezichten. Een nieuw hoofdstuk.

Ik wist nog niet wat mij daar te wachten stond: en al helemaal niet dat ik op een latere school voor het eerst begon te ontdekken dat er veel meer in mij zat dan anderen mij hadden laten geloven.