Hoofdstuk 4:

En toen kwam de middelbare school

Op de middelbare school begon voor mij een nieuwe periode. Ik kwam terecht op het Nieuwe Diep, een veel grotere school dan ik gewend was. Alleen al het wennen aan die omgeving vroeg veel van mij.

Ik raakte regelmatig de weg kwijt in het grote schoolgebouw. Lokalen vinden, onthouden waar ik moest zijn, van het ene lokaal naar het andere schakelen en tegelijkertijd alles om mij heen verwerken: het kostte mij simpelweg meer tijd om daar mijn weg in te vinden.

Het was een kwestie van wennen. Van verwerken. Van schakelen.

Maar een selectieve groep kinderen interpreteerde dat anders.

Als ik ergens naar moest zoeken of even niet wist waar ik heen moest, kon dat voor hen kennelijk genoeg zijn om mij als dom te bestempelen. Ik werd opnieuw behandeld alsof mijn manier van leren en reageren iets zei over mijn intelligentie.

Mijn autisme betekende dat ik informatie en situaties op mijn eigen manier verwerkte. Alleen had ik in mijn leven nog maar weinig mensen meegemaakt die werkelijk probeerden te begrijpen wat dat betekende. Daardoor werd iets wat voor mij vooral een kwestie van verwerking en gewenning was, door anderen gemakkelijk aangezien voor onvermogen.

Ik had, zoals op de basisschool, vrienden in mijn klas. Het waren vooral bepaalde kinderen die mij als doelwit uitgekozen. 

Daar kwam bovendien iets bij wat ik zelf niet had verwacht.

Ik kreeg enorm veel aandacht van meisjes.

Ze zaten regelmatig achter mij aan, wilden mijn nummer of MSN hebben en zochten contact met mij. Voor een verlegen jongen als ik kon dat natuurlijk best als een compliment voelen. 

Maar ik was zo verlegen dat ik het altijd afsloeg.

Niet omdat ik mij beter voelde dan anderen. Niet omdat ik geen belangstelling voor mensen had. Ik wist simpelweg niet goed hoe ik met die aandacht moest omgaan en durfde er vaak niet op in te gaan.

Voor sommige jongens leek juist dát moeilijk te verdragen.

De aandacht die ik kreeg, konden zij zichtbaar niet uitstaan. Veel van de jongens die mij begonnen te pesten, kenden mij eigenlijk nauwelijks. Toch werd ik, juist omdat ik mij destijds nog onvoldoende wist te verweren, een gemakkelijk mikpunt.

Het was een vreemde tegenstelling.

Ik was iemand die helemaal niet graag in het middelpunt stond, maar toch kwam ik er steeds in terecht.

Ik was introvert.

Verlegen.

Ik zocht geen ruzie en wilde geen aandacht.

Ik wilde eigenlijk gewoon mijn eigen leven leiden.

Toch werd ik door meisjes regelmatig achternagezeten. En hoewel die aandacht op zichzelf natuurlijk ook iets positiefs kon hebben, kon het mij tegelijkertijd overweldigen. Ik was helemaal niet gewend om zoveel aandacht te krijgen en wist niet altijd hoe ik ermee om moest gaan.

Daarom bleef ik tijdens de pauzes ook vaak liever in het klaslokaal zitten, regelmatig samen met een paar vrienden.

Dat vond ik eigenlijk ook prettig.

Het was rustiger.

Ik hoefde even nergens naartoe.

Het was simpelweg allemaal veel.

De nieuwe school. 

Het grote gebouw. 

Het steeds moeten schakelen tussen lokalen. 

Het huiswerk. 

De toetsen. 

De aandacht. 

Het gepest door een selectieve groep jongens. 

De onzekerheid over hoe ik op anderen overkwam.

Maar zelfs wanneer ik tijdens de pauze in de klas bleef, betekende dat niet dat ik volledig buiten het bereik van het pesten was.

Er werd op mijn jas gespuugd zonder dat ik het merkte.

Ik had bovendien al veel eerder geleerd dat mensen een beeld van je kunnen vormen dat helemaal niet overeenkomt met wie je werkelijk bent. Op de basisschool werd ik al verkeerd geïnterpreteerd. Op de middelbare school gebeurde dat opnieuw, alleen in een andere vorm.

Wanneer je dat meerdere keren meemaakt, gebeurt er iets met je.

Je wordt voortdurend bewuster van jezelf.

Hoe kom ik over?

Hoe kijken mensen naar mij?

Wat denken ze?

Doe ik iets raars?

Zeg ik iets verkeerd?

Ben ik te stil?

Kijk ik verkeerd?

Sta ik raar?

Zelfs iets wat in eerste instantie positief leek: aandacht krijgen van meisjes, kon daardoor onderdeel worden van die voortdurende zelfbewaking.

Wanneer je gewend bent geraakt aan het idee dat anderen jouw gedrag verkeerd kunnen interpreteren, ga je jezelf steeds vaker bekijken door de ogen van anderen.

Ook gewoon jezelf zijn voelde daardoor steeds minder vanzelfsprekend. Ik deed niet mee aan het toneelstuk waarin sommige jongens zich stoerder voordeden dan ze waren. Ik zette geen gemaakte, zware stem op om indruk te maken. Ik hoefde mij niet groter of harder voor te doen dan ik was.

Ik was gewoon mezelf.

Maar juist dát kon tegen mij worden gebruikt.

Mijn echte stem. Mijn terughoudendheid. Dingen die gewoon bij mij hoorden, konden ineens aanleiding worden om mij belachelijk te maken of als minderwaardig neer te zetten.

En later in dat eerste schooljaar gebeurde er iets wat het nog moeilijker maakte: ik verloor letterlijk mijn stem. Praten werd lastig, klonk zacht en daardoor durfde ik nog minder te zeggen.

Het was bijna alsof mijn stem mij ook nog eens letterlijk in de steek liet.

En langzaam ontstaat dan een vreemde paradox: je wilt jezelf blijven, maar je leert tegelijkertijd dat juist jezelf zijn pijn kan doen.

Je kijkt niet alleen meer naar wat jij doet.

Je probeert tegelijkertijd te voorspellen hoe een ander het zal zien.

En dat is heel vermoeiend.

Ik wilde gewoon mezelf zijn, maar ondertussen was ik steeds bezig met de vraag hoe anderen mij zagen.

En misschien was dat wel één van de belangrijkste dingen die ik uit die jaren meenam.

Totdat ik op Hendrikmol terechtkwam

Op een gegeven moment ben ik opnieuw naar een andere middelbare school gegaan.

Die school heette Hendrikmol.

En daar gebeurde iets wat achteraf ontzettend belangrijk voor mij is geworden.

De klassen waren kleiner.

De docenten waren aardiger.

Er was meer begrip.

We kregen dezelfde schoolboeken.

Dezelfde lesstof.

Dat laatste is voor mij belangrijk.

Want het probleem was nooit dat ik niets kon.

Ik had een omgeving nodig waarin ik mijn mogelijkheden kon laten zien.

Ik had alleen een omgeving nodig waarin mijn manier van leren niet voortdurend tegen mij werd gebruikt.

En toen gebeurde er iets bijzonders.

Ik voelde me op mijn gemak.

Ik had het naar mijn zin.

Ik kreeg goede cijfers.

En uiteindelijk behaalde ik mijn diploma.

Dat moment betekende voor mij veel meer dan alleen het behalen van een diploma.

Het was misschien wel een stille bevestiging van iets wat ik diep vanbinnen al die jaren had geweten:

Ik had alleen mensen nodig gehad die mij konden zien.

Hoofdstuk 5:

Hoe het absoluut níét moest

Na alles wat eraan voorafging, blijft één vraag over: wat kunnen we anders doen?

In dit laatste hoofdstuk komt mijn verhaal samen. Over verkeerd begrepen worden, de sporen die dat kan achterlaten en waarom echte verandering begint wanneer we niet alleen naar elkaar kijken, maar elkaar werkelijk leren zien.

Create Your Own Website With Webador